Kernenergiewet

wetgeving specifiek voor kernenergie en algemene discussie over- en ontwikkeling van de Kernenergiewet

Oprichting Kernfysische Dienst

1 november 1968

Nu de tweede Nederlandse kerncentrale in Borssele gebouwd gaat worden vindt de overheid dat er behoefte is aan een onafhankelijke toezichthouder en wordt de Kernfysische Dienst opgericht die 1 november haar werkzaamheden begint. De KFD (die onder het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid valt) moet toezien op de nucleaire installaties, de opslag en het transport van nucleair materiaal en de non-proliferatie (tegengaan van verspreiding) van nucleair materiaal en technologie.


Trefwoorden:


VROM nu verantwoordelijk KernenergieWet

1 juli 1999

Het kabinet stemt in met de overheveling van een aantal taken die voortvloeien uit de KernenergieWet (KeW) van de minister van EZ naar de minister van VROM. Milieu- en veiligheidsaspecten en bescherming tegen radioactieve straling zijn in de praktijk nu de belangrijkste aspecten van de KeW. In 1963, toen de KeW van kracht werd, lag de nadruk op het bevorderen van kernenergie, daarom was de minister van EZ de eerste ondertekenaar. De minister van VROM is vanaf 1 juli primair verantwoordelijk voor de regelgeving en de vergunningsverlening van nucleaire installaties. De minister van EZ blijft medeverantwoordelijk. De KeW en een aantal daarop gebaseerde regelingen zullen daartoe aangepast worden.


Trefwoorden:


Elektriciteitsmarkt geliberaliseerd

2 juli 1998

Waren met de Elektriciteitswet van 1989 de eerste concrete stappen gezet op weg naar de liberalisering van de energiemarkt, nu wordt door implementatie van Europese wetgeving (de Europese Elektriciteitsrichtlijn 96/92/EG) de elektriciteitsmarkt definitief geliberaliseerd en daarmee het wettelijk vastgelegde monopolie opgeheven. De Elektriciteitswet 1998 zorgt ervoor dat de taken in de bedrijfstak verdeeld worden tussen verschillende bedrijven om meer marktwerking en een efficiëntere bedrijfsvoering te bereiken. Met deze wet komt ook een eind aan de centrale sturing van elektriciteitsproductie. De SEP gaat om die reden opgeheven worden.
De liberalisering vindt in drie fases plaats. In de eerste fase (1998) wordt de markt opengesteld voor grootverbruikers en wordt de import vrij. In de tweede fase (2002) wordt de markt voor middelgrote verbruikers van elektriciteit geopend en in de derde en laatste fase (2004) wordt de markt voor kleine ondernemingen en consumenten geopend.
(zie ook het dossier: 'Elektriciteitsproductie toen en nu')




Aanpassingen in Wijzigingsvoorstel kernenergiewet

29 september 2008

"In het kader van de in het Energierapport aangekondigde 'no-regret' maatregelen om een volgend kabinet in staat te stellen een weloverwogen besluit over kernenergie te nemen, heeft het kabinet besloten dat het voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Kernenergie aanpassing behoeft." Aldus Cramer (VROM) en Van der Hoeven (EZ) aan de Kamer. Dit betekend dat het kabinet tot de conclusie is gekomen dat het wetsvoorstel dat door het vorige kabinet in januari 2006 bij de Tweede Kamer is ingediend, aangepast moet worden. Onderdelen die van invloed zijn op de toekomst van kernenergie in Nederland ("die de toekomst van kernenergie in Nederland bemoeilijken) worden uit het wetsvoorstel gehaald. Slechts de wijzigingen die “van meer technische aard zijn of algemeen gedragen worden en niet op latere besluitvorming vooruitlopen", worden gehandhaafd. De onderdelen van het wetsvoorstel over toekomstig beleid met betrekking tot opwerken en de geldigheidsduur van vergunningen voor nieuwe kerncentrales vervallen hiermee.
Het nieuwe Wijzigingsvoorstel kernenergiewet




Kernenergiewet in werking

1 januari 1970

Nadat in 1963 al hoofdstuk II betreffende de Adviesinstanties in werking is getreden, treedt nu de hele Kernenergiewet in werking. Met de wet zal het Radioactieve stoffenbesluit, gebaseerd op de Warenwet, buiten werking treden. Bovendien is de Hinderwet niet meer van toepassing op de zaken die nu door de Kernenergiewet geregeld worden. Onder de KeW vallen splijtstoffen, uranium- en thoriumhoudende ertsen, inrichtingen en (scheeps-)uitrustingen, radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen. Ter bescherming tegen gevaren voorziet de wet in het hanteren van een systeem van vergunningen en algemene voorschriften; daarnaast bevat zij een stelsel van registratie. De richtlijnen die in de KeW zijn gegeven, zijn uitgewerkt in een aantal uitvoeringsmaatregelen.
Op grond van artikel 75 van de KeW is voor Defensie het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet opgesteld. Artikel 75 verleent aan de Kroon de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling te verlenen of op verzoek ontheffing te verlenen van de vergunningplicht van artikel 15 en artikel 29 van de Kernenergiewet aan "instellingen van wetenschap of in het belang van de landsverdediging". Het gaat om zaken waarvan in de praktijk echter de minister van Defensie (en niet de Kroon) bepaald dat geheimhouding noodzakelijk is.
[Zie ook het dossier ‘Vrijstellingsbesluit Defensie Kernenergiewet’]




Deel Kernenergiewet in werking

21 februari 1963

Nadat de Commissie voor de Atoomenergie in 1955 al is begonnen met het ontwerpen van de kernenergiewet en de Wet in 1957 in de Kernenergienota wordt aangekondigd, wordt de wet in 1960 aangeboden aan en besproken in de Kamer. In februari 1963 treedt de Kernenergiewet dan in werking. Dat wil zeggen, slechts Hoofdstuk II, betreffende de Adviesinstanties. De hele wet zal pas op 1-1-70 in werking treden.
De KeW heeft twee doelen: “de bevordering van goede ontwikkeling op het gebied van het vrijmaken van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en straling uitzendende toestellen” en “de bescherming van mens en milieu tegen de hieraan verbonden gevaren”.
Voor deze wet zijn al 3 adviescolleges opgericht:
- IRK: Industriële Raad voor de Kernenergie, was al opgericht in 1962 en moet de belangen van de industrie bij de overheid behartigen. Brengt vaak het advies uit om alles te financieren. Het IRK wordt in 1983 omgevormd tot de IREM: Industriele Raad voor Energie en Milieu-technologie, maar al enkele jaren later opgeheven als de Algemene Energieraad ingesteld wordt.
- WRK: De Wetenschappelijke Raad voor de Kernenergie, met als taak: het gevraagd en ongevraagd uitbrengen van adviezen over (inter)nationale aspecten (ook politieke en organisatorische) van kernenergie. De WRK wordt per 1 maart 1976 op non-actief gesteld.
- CRK: Centrale Raad voor de Kernenergie. Deze heeft een tweeledige taak: adviseren bij wettelijke regelingen tot de inwerkingtreding van het tweede gedeelte van de KeW (dat zal pas in 1970 gebeuren) en het coördineren van de andere drie adviesorganen. De CRK heft zichzelf uiteindelijk in 1974 op als haar eerste taak is volbracht. Het is niet in staat geweest een samenhangend beleid te voeren tussen wetenschappelijke, industriële en gezondheidsaspecten.
- De Gezondheidsraad, al veel eerder opgericht, krijgt een nieuwe taak erbij, maar alleen al het feit dat deze raad pas advies uitbrengt over gezondheidsaspecten nadat de beslissing tot de bouw van een installatie is genomen, en de werkzaamheden al vaak zijn gestart, zegt al voldoende over het feitelijk gewicht van deze raad.




Ontwerp Kernenergiewet

4 juli 1960

Een eerste ontwerp van een Kernenergiewet wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Bij de debatten speelt de beschermingsaspecten van de Wet wel een rol, maar de discussie gaat toch vooral over of het beleid inzake de kernenergie (en daarvoor het ondersteunend instrumentarium van de Wet) wel voldoende stimulerend werkt voor de bevordering van kernenergie en of Nederland internationaal “niet de boot mist“.


Trefwoorden:


Wetgeving radioactieve stoffen

1 februari 1958

Het Veiligheidsbesluit Ioniserende Straling treedt in werking en heeft ten doel degenen die in hun werk de kans lopen door “radioactieve bestraling te worden getroffen” tegen de gevolgen daarvan te beschermen. Het stelt regels vast over de wijze waarop radioactieve stoffen in bedrijven (en daarbuiten) moeten worden gebruikt. In juli treedt vervolgens het ‘Radioactieve stoffenbesluit’ van de Warenwet in werking. Hiermee wordt “de invoer, produktie, vervoer, verwerking en bewaring van radioactieve stoffen in Nederland” vergunningsplichtig en onder controle gesteld. Directe aanleiding hiervoor is om een einde te maken aan de “regelloosheid ontstaan” sinds 1956 toen de VS “de uitvoer van radioactieve stoffen vrijgaf en dus de uitvoer niet meer bond aan garanties“. De ‘Nota van toelichting’ van de wet begint dan ook als volgt: “Wegens het gevaar dat radioactieve stoffen opleveren, is het dringend nodig, dat de overheid regelen stelt aan handel in en verkeer met deze stoffen.”
Met de invoering van dit besluit wordt de in 1947 opgerichte Isotopencommissie opgeheven. Het Radioactieve stoffenbesluit wordt later in de Kernenergiewet geregeld.
Radioactieve stoffen bestemd voor militaire doeleinden vallen echter uitdrukkelijk niet onder het Radioactieve Stoffenbesluit, daarvoor, zo staat er, komt terzijnertijd aparte wetgeving. Dit zal geregeld worden in het ‘Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet.’ (zie dossier)




Kernenergienota Zijlstra

Scenario uitbreiding kernvermogen
3 juli 1957

Nota inzake de Kernenergie (‘Opwekking van electriciteit door middel van kernenergie’) wordt door de Minister van Economische Zaken Zijlstra naar de Staten-Generaal gestuurd. In de nota wordt verwacht dat het elektrische vermogen (dan 3180MW) in 1975 zal zijn gegroeid tot 8650MW, waarvan 3000 MW door kernenergie zal worden opgewekt. Waarna dan “de noodzakelijke uitbreidingen en vervangingen in 1975 geheel op basis van kernenergie zouden kunnen plaatsvinden”. De eerste kernreactor (100MW) zal, zo is de verwachting, al in 1962 in gebruik worden genomen. Een jaar later zullen er dan al twee kerncentrales met een gezamenlijk vermogen van 300MW tot stand moeten zijn gekomen. Die eerste centrale zal, zo is de overtuiging van de PLEM bij Buggenem komen en een gasgrafiet-reactor zijn zoals in Calder Hall (Engeland).
Andere toepassingen van kernenergie worden niet genoemd, en het lijkt dat met deze Nota het ministerie van EZ het terrein van de kernenergie voor de toekomst voor zich opeist.De Nota begint dan ook met “Nu de ontwikkeling van de kernenergie (…) zover is voortgeschreden dat uit de fase van voorbereidend onderzoek tot het stadium van praktische toepassing kan worden overgegaan.”
Er wordt aangekondigd dat er gewerkt wordt aan Atoomwetgeving. Daarin zal “onder meer aandacht worden besteedt aan het belangrijke veiligheidsaspect alsmede aan de verplichtingen, voortvloeiende uit de door de Staat gesloten internationale overeenkomsten”. De minister deelt ook mee dat er ook “in West-Duitsland aan de ultra-centrifuge methode gewerkt wordt. Teneinde het onderzoek te versnellen hebben de RCN en de desbetreffende Duitse instelling met elkaar kontakt opgenomen omtrent een samenwerking op dit gebied, over de hoofdlijnen waarvan in beginsel reeds overeenstemming werd bereikt“.
Het optimisme uit de Nota is snel achterhaald: Na de Suez-crisis (1956) komt er een overvloed aan goedkope olie uit het Midden-Oosten, en er worden in Nederland grote gasvoorraden gevonden. Dit heeft tot gevolg dat de Nota pas vijf jaar later (in 1962) in de Kamer wordt besproken, als de volgende Kernenergie Nota verschijnt, die meer een bijstelling van deze is.




Isotopencommissie opgericht

27 september 1947

Op verzoek van de regering wordt door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen de ‘Commissie van advies inzake verstrekking van radio-actieve isotopen’ (beter bekend als de Isotopencommissie) opgericht. De commissie moet de “invoer van radioactieve isotopen uit de Verenigde Staten van Amerika onder toezicht nemen“. Ze stelt zich jegens de Amerikaanse producenten van die stoffen garant voor de deskundigheid van de afnemers van deze stoffen, alsmede voor het zich onthouden door deze afnemers van doorlevering. De commissie zal tot 1958 functioneren als de werkzaamheden van de commissie, op grond van het Radioactieve stoffenbesluit (Warenwet), worden overgenomen door de minister waaronder Volksgezondheid ressorteert. Pas in 1965 zal de officiële opheffing door de KNAW meegedeeld worden.




Inhoud syndiceren